HET LEUCHTER RAPPORT
Fred A. Leuchter
Noot van de vertaler
Dit is de vertaling van "Auschwitz: The End of the Line.
THE LEUCHTER REPORT. The first Forensic Examination of Auschwitz.
, uitgegeven door Focal Point Publications, Londen, juni 1989.
Deze vertaling gebeurde naar best vermogen. Bij eventuele twijfel
of discussie geldt vanzelfsprekend de originele versie. Om diverse
redenen werden in deze vertaling enkel de bijlagen overgenomen,
die noodzakelijk of behulpzaam zijn bij het lezen van de tekst.
Om de zaak visueel beter te kunnen vatten beveel ik de videoband
"Leuchter in Poland" aan, verkrijgbaar bij de
Werkgroep Vrij Historisch Onderzoek. Het standaardwerk over Auschwitz
is ontegensprekelijk Stäglichs "Der Auschwitz Mythos",
dat ook in het Engels en Frans verkrijgbaar is.
VHO, Antwerpen, 21 juni 1990
Inleiding
In februari van dit jaar (1988) werd ik in opdracht van de heer
Ernst Zündel door Prof. Robert Faurisson gecontacteerd met
het verzoek de bestaande crematoria en de zogezegde gaskamers
die door de nazi's in Polen waren gebruikt, te onderzoeken en
aan een chemische analyse te onderwerpen, en om verder hiervan
een evaluatie te geven en mijn opinie als deskundige te geven
in verband met hun bruikbaarheid en doeltreffendheid. Na een ontmoeting
met de heer Zündel, zijn verdediger Douglas H. Christie en
diens stafmedewerkers, waarbij het project besproken werd, werd
mij verteld dat mijn bevindingen zouden gebruikt worden in de
zaak The Queen vs. Zündel, dat toen hangende was voor
het Districtshof van Toronto, Canada. In het licht hiervan werd
bepaald dat het onderzoek zich zou uitstrekken over Auschwitz,
Birkenau en Majdanek (Lublin) en al hun crematoria en zogezegde
executiegaskamers. Ik nam de opdracht aan en nam op 25 februari
1988 de leiding van een onderzoeksteam naar Polen. De groep bestond
buiten mijzelf uit: mijn echtgenote Carolyn Leuchter; de heer
Howard Miller, technisch tekenaar; de heer Jurgen Neumann, videocameraman
en de heer Theodor Rudolf, een Poolse tolk. Op 3 maart 1988 kwamen
wij terug na al de betreffende locaties te Auschwitz, Birkenau
en Majdanek geïnspecteerd te hebben. Dit verslag en mijn
bevindingen zijn het resultaat van het opzoekingwerk dat ik in
Polen gedaan heb.
Doel en omschrijving
Het doel van dit verslag en het onderzoekswerk waarop dit verslag
betrekking heeft is te bepalen of de zogezegde executiegaskamers
en de crematoriavoorzieningen op de (3) drie locaties in Polen,
namelijk Auschwitz, Birkenau en Majdanek zouden kunnen gewerkt
hebben op de wijze zoals beschreven in de Holocaustliteratuur.
Het doel omvat het onderzoek en inspectie van de materiële
uitrusting en de bouwplannen van deze uitrusting, en een beschrijving
van de procedure die gebruikt werd in deze uitrusting, met het
oog op het vastleggen van de hoeveelheden gas die hiertoe verbruikt
werden, van de duurtijd van de aangewende procedure (d.w.z.
uitvoerings- en ventilatietijd), van de afmetingen van de kamers
met betrekking tot de bezettingsgraad, van de werkwijze en timing
met betrekking tot het uitvoeren van de vergassing en de verbranding
van de lichamen, om aldus de geloofwaardigheid van ooggetuige
verslagen te kunnen toetsen.
Het doel behelst niet het vaststellen van het aantal personen
dat door middel van andere methoden dan vergassing om het leven
kwam, of om vast te stellen of een feitelijke Holocaust zich heeft
voorgedaan. Verder is het niet de bedoeling van de auteur de Holocaust
in historische termen te herdefiniëren, maar eenvoudigweg
wetenschappelijk bewijsmateriaal en informatie voor te leggen
die verkregen werd op de betreffende locaties en om een opinie
te formuleren over de bedoeling en het gebruik van de zogezegde
executiegaskamers en crematoria in de onderzochte locaties, dit
op basis van al de beschikbare wetenschappelijke, technische en
kwantitatieve gegevens.
Achtergrond
De hoofdonderzoeker en auteur van dit rapport is gespecialiseerd
in het ontwerpen en bouwen van hardware voor terechtstellingen.
Hij heeft specifiek meegewerkt aan het ontwerpen en bouwen van
faciliteiten voor terechtstellingen in de Verenigde Staten op
basis van het gebruik van cyaanwaterstof.
De onderzoeker bezocht de installaties te Auschwitz, Birkenau
en Majdanek, maakte opmetingen, nam scheikundige stalen, nam inzage
van de bouwplannen en van de literatuur van de Degesch-ontluizingskamers
en hun procedures, nam inzage van de literatuur inzake het Zyklon
B-gas en de aangewende materialen bij de terechtstelling. Veel
van het onderzochte materiaal was literatuur die ter plaatse in
Polen werd aangekocht of ingezien, met inbegrip van de originele
tekeningen van de Krema's I, II, III, IV en V.
Draagwijdte
De draagwijdte van dit rapport omvat: het materiële onderzoek
ter plaatse; de kwantitatieve data verkregen, te Auschwitz, Birkenau
en Majdanek; de literatuur verkregen van de officiële instanties
van de drie (3) musea; kopieën van de planafdrukken van de
Krema's I, II, Hl, IV en V verkregen in de musea; gegevens betrekking
hebbende op Degesch-ontluizingskamers en -faciliteiten (inbegrepen
uitrusting en procedurehandleidingen voor en bij het gebruik van
Zyklon B-gas); een beschrijving van de operationele procedures
en van de faciliteiten in kwestie; stalen voor laboratoriumonderzoek
die in de onderzochte Krema's genomen werden.
Bovendien: data betrekking hebbende op ontwerpen van Amerikaanse
gaskamers en operationele werkmethoden afkomstig van de eigen
kennis en ondervinding van de auteur op dit terrein; tevens werd
een studie over Amerikaanse crematoria en procedures gebruikt
voor de verwezenlijking van dit rapport.
Gebruik makend van alle bovengenoemde gegevens heeft de onderzoeker
de kern van deze studie beperkt tot het bepalen of:
a) de zogezegde executiegaskamers in staat waren de massamoord
op menselijke wezens uit te voeren door middel van Zyklon B-gas
in Auschwitz I en in Birkenau en door middel van koolstofmonoxide
en/of Zyklon-B-gas in Majdanek;
b) de onderzochte Krema's in staat waren het beweerde aantal menselijke
verassingen uit te voeren in de beweerde tijdsperiode.
Synopsis en bevindingen
Na studie van de beschikbare literatuur en na onderzoek en evaluatie
van de bestaande installaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek
en op basis van een deskundige kennis inzake constructie en werking
van de gaskamerprocedure, na onderzoek van crematoriumtechnologie
en een inspectie van moderne crematoria, vindt de auteur geen
bewijzen dat een van de installaties waarvan normaal werd beweerd
dat ze executiegaskamers geweest zijn, ooit als dusdanig gebruikt
werden en hij stelt verder dat op basis van de planning en bouw
van deze inrichtingen, deze onmogelijk ooit zouden kunnen gebruikt
zijn als executiegaskamers.
Bovendien geeft de evaluatie van de crematoria-installaties sluitend
bewijsmateriaal dat het beweerde aantal crematies in de beweerde
periode tegenspreekt.
Naar de beste technische beoordeling is het daarom de mening
van de auteur dat geen van de onderzochte installaties ooit gebruikt
werd voor de executie van mensen en dat de crematoria nooit die
capaciteit, kunnen hebben opgebracht, die men hen toeschrijft.
Methodiek
De procedures die aangewend werden voor het onderzoek
en de laboratoriumonderzoeken, en die resulteerden in dit rapport,
waren de volgende:
1. een algemene achtergrondstudie van het beschikbare materiaal;
2. een bezoek ter plaatse en een scheikundige bestudering van
de installaties in kwestie, wat ook inhield: het opnemen van fysische
data (afmetingen en informatie betreffende de bouw) en het verzamelen
van een belangrijke hoeveelheid stalen (steen en metselkalk) die
naar de Verenigde Staten werden meegenomen voor chemische analyse;
3. een bestudering van ter plaatse opgenomen visuele logistieke
gegevens;
4. een compilatie van de verworven gegevens;
5. een analyse van de verworven informatie en een vergelijking
van deze informatie met de bekende en op hun bruikbaarheid bewezen
plannen, fabricatiemethoden en procedures van bestaande gaskamers
en crematoria;
6. een beschouwing van de chemische analyses van de ter plaatse
genomen stalen;
7. besluitvorming op basis van de verworven bewijsstukken.
Gebruik van HCN en Zyklon B als ontsmettingsmiddel
Waterstofcyanide (HCN, blauwzuur of cyaanzuur) werd reeds
als ontsmettingsmiddel gebruikt voor W.O.l. HCN ontstaat door
middel van een chemische reactie van natriumcyanide met zwavelzuur.
De reactieproducten worden normaal bewaard in keramische potten.
HCN wordt gebruikt bij bestrijding en verdelging van knaagdieren
en insecten op schepen, in gebouwen en in speciaal daarvoor ontworpen
kamers en ruimten. Ter bescherming van het personeel (technici)
is een speciale constructie en een strikt te volgen procedure
noodzakelijk. HCN is een van de krachtigste en gevaarlijkste ontsmettingsmiddelen.
Speciaal hiervoor ontworpen of aangepaste gebouwen worden door
alle legers en gezondheidsorganisaties in de wereld gebruikt.
HCN werd ook overal gebruikt bij ziektebestrijding; vooral bij
pest en tyfus, m.a.w. bij ratten-, vlooien- en luizenbestrijding.
Vele installaties voor ontsmetting werden gemaakt in opdracht
van Degesch, een Duitse firma gevestigd te Frankfurt-am-Main.
Tijdens de oorlog had Degesch het toezicht over de verdeling van
Zyklon B. Degesch produceert nu nog HCN.
Zyklon B was een speciaal handelsproduct dat blauwzuur bevat.
De naam "Zyklon B" was een handelsbenaming. HCN werd
in de fabriek gemaakt en afgeleverd in een verpakking waarbij
het HCN geabsorbeerd was in een poreuze drager, ofwel houtpulp
ofwel aarde (kalk). Het werd geleverd in schijfjes, schilfers
of korrels. Het preparaat was verzegeld in een luchtdichte container,
die slechts kon worden geopend met behulp van een speciale sleutel.
In deze vorm was HCN/Zyklon B veel veiliger en gemakkelijk te
behandelen. Men verspreidde de schijfjes, schilfers of korrels
over de vloer in de ruimte die men wenste te ontsmetten. Ofwel
werd het in een ruimte gebruikt met luchtcirculatie, verwarmd
tot 26°C of meer. Bij gebruik in gebouwen, schepen of tenten
(om bomen en vruchten te ontsmetten) moet de lucht verwarmd worden
tot meer dan 26°C, zijnde het kookpunt van HCN. Indien dit
niet het geval is, dan is een veel langere tijd voor ontsmetting
vereist. Een ontsmettingsbeurt met HCN duurt minimum 24 tot 48
uur.
Na de ontsmetting volgt een minimum ventilatietijd van 10 uur
of meer, afhankelijk van de ligging (en de grootte) van het complex.
Wanneer het gebouw geen ramen of uitlaatventielen heeft duurt
deze ventilatie langer. Vervolgens moet de ontsmette kamer, alvorens
betreden te worden, scheikundig getest worden op de aanwezigheid
van gas. Soms worden gasmaskers gebruikt, maar deze bieden geen
veiligheid en mogen niet langer dan 10 minuten gebruikt worden.
Men dient een volledige chemisch bestendige kledij te dragen om
vergiftiging via de huid te voorkomen. Hoe hoger de temperatuur
en hoe droger het gebouw, des te sneller en veiliger de procedure
verloopt.
Name
HCN, hydrocyanic acid; prussic acid
Boiling point
25,7°C/78.3°F at 760 mm Hg
Specific gravity
0,69 at 18°C/64°F
Vapor density
0,947 (air = 1)
Melting point
13,2°C/8.2°F
Vapor pressure
750 mm Hg at 25°C/77°F, 1200 mm Hg at 38°C/100°F
Solubility in water
100%
Appearance
Clear
Color
Slightly bluish
Odor
Bitter almond, very mild, non-irritating (odor is not considered
a safe method of
determining presence of the poison
Hazards:
1. 1.Unstable with heat, alkaline materials and water.
2. Will explode if mixed with 20% sulphuric acid.
3. Polymerization (decomposition) will occur violently with heat,
alkaline material or water. Once started, reaction is autocatalytic
and uncontrollable. Will explode.
4. Flashpoint: -18°C/0°F
5. Auto ignition temperature: 538°C/1000°F
6. Flammable limits in air.
7. Volume %: lower 6, upper 41
Table 1: Gas specifications HCN, Source Hydrogen Cyanide, Dupont
publication, 7-83.
Criteria bij de bouw van een ontsmettingsinstallatie
Een ontsmettingsinstallatie, zij het een gebouw of kamer,
moet in beide gevallen voldoen aan dezelfde basisvereisten. Ze
moet volkomen hermetisch kunnen afgesloten worden; ze moet verwarmbaar
zijn en beschikken over zowel luchtcirculatie- als luchtafzuigapparatuur;
verder moet er een voldoende hoge schoorsteen voor de uitstoot
voorzien zijn (minstens ca 13 meter) of een verbrandingsfaciliteit
voor deze uitstoot en tenslotte een aangepast systeem voor de
gelijkmatige verspreiding van het gas (of Zyklon B).
Vooreerst, als men nu een ruimte gebruikt, moet het een gelast
en drukgetest vat zijn, bedekt met een inerte (epoxy) verf of
roestvrij staal of plastiek (PVC). De deuren moeten gedicht zijn
met een HCN-resistent materiaal (asbest, neopreen of teflon).
Gaat het om een gebouw dan dient dit opgetrokken te zijn in steen
of baksteen, waarbij zowel de binnen- als de buitenkant moet afgewerkt
zijn met een inerte (epoxy)verf, pek, teer of asfalt. Ramen en
deuren moeten afgewerkt zijn met een afdichtingsproduct op basis
van neopreen of teer; de pakkingen op basis van rubber of pek.
In beide gevallen moet de ruimte uiterst droog zijn. De term "afsluiting"
heeft twee betekenissen: ten eerste het mechanisch voorkomen van
lekken en ten tweede het ondoordringbaar maken van de poreuze
oppervlakken van de installatie voor het Zyklon B-gas.
Ten tweede moet de kamer of installatie beschikken over een gasgenerator
of distributiesysteem voor het Zyklon B-gas, dat hete lucht over
het Zyklon B of de generator voert en het warme lucht/gasmengsel
doet circuleren. De vereiste menging bedraagt 3.200 ppm (parts
per million) ofwel 0,32% totaal volume HCN. In de gebruikte gaskamer
mogen er zich geen hindernissen bevinden en moet tevens de mogelijkheid
bieden voor een sterke, constante en overvloedige luchtstroom.
Ten derde moet de gaskamer of het gebouw beschikken over een uitrusting
om het giftige gas/luchtmengsel af te leiden en te vervangen door
zuivere lucht. Over het algemeen gebeurt dit door middel van een
uitlaat- of inlaatventiel met uitlaat- of inlaatkleppen, of latwerksluizen
met een voldoende capaciteit om een redelijk luchtverversingsvolume
per uur te bekomen. Normalerwijze dienen ventielen met een voldoende
aantal kubieke meter per minuut in staat te zijn een volledige
luchtverversing door te voeren in een 1 /2 uur, en dienen op zijn
minst tweemaal de vereiste tijd van één uur, dus
gedurende 2 uur, in werking te blijven. Hoe groter de vergassingsruimte
hoe minder praktisch het wordt om dit te realiseren (door de beperkte
afmetingen van de beschikbare ventielen). De uitstotingsoperatie
kan dan vele uren in beslag nemen.
De uitstoot dient op een veilige afstand boven de vergassingsinstallatie
te gebeuren waar de natuurlijke luchtstroom het gas kan oplossen.
Normalerwijze is dit ca. 13 meter boven het gebouw, maar kan meer
zijn als de installatie zich op een tegen de wind beschutte plaats
bevindt. Wordt er gebruik gemaakt van een verbrandingsinstallatie,
dan is een hoogte van enkele meters voldoende. Over het algemeen
is HCN-verbranding een te kostelijke operatie omwille van de hoeveelheid
zuurstof die binnen een korte tijdsduur moet kunnen aangevoerd
worden.
De temperatuur van de muren en de lucht in de vergassingsruimte
en die van de inkomende lucht moet minstens 10°C liggen boven
het kookpunt van waterstof cyaanzuur (26°C) om HCN condensatie
op de wanden van de installatie te voorkomen. Is de temperatuur
van vloeren, wanden en het uitstotingssysteem lager dan 26°C
en treedt er condensatie op, dan moet de vergassingsinstallatie
ontsmet worden door middel van een chloorbleekmiddel of ammoniak
waarbij het eerstgenoemde het meest aangewezen is. Het ontsmetten
gebeurt door de wanden automatisch of manueel te besproeien. Wanneer
het manueel gedaan wordt, dient men beschermende (meestal neopreen)
kledij te dragen en de technici dienen zuurstofmaskers te dragen.
Gewone maskers zijn onveilig en gevaarlijk. Het gebouw dient voor
langere tijd geëvacueerd te worden om gassen van chloorbleekwater
in staat te stellen het vloeibare HCN in het uitstotingssysteem
te neutraliseren. De binnenkant dient nadien met water gereinigd,
gedweild en gedroogd te worden alvorens men de installatie opnieuw
kan gebruiken.
Bovendien dient een luchttest in het gebouw genomen te worden
om vast te stellen of alle HCN verwijderd is. Deze test kan gebeuren
met een gasdetector of met de koperacetaatbenzidinetest. In het
laatste geval wordt een benzideenoplossing vermengd met een koperacetaatoplossing
om een teststrip te bevochtigen. Deze ondergaat een blauwkleuring
met verschillende gradaties volgens de aanwezigheid van HCN.
Criteria bij de bouw van "een executiegaskamer"
De meeste vereisten voor een ontsmettingsinstallatie gelden
ook voor een executie-installatie. Over het algemeen zal een executiegaskamer
kleiner en efficiënter zijn. Zyklon B is niet voor zulk gebruik
aangewezen daar het teveel tijd vergt om het gas uit de inerte
drager op te wekken. Tot dusver bleek de enige efficiënte
werkwijze erin te bestaan het gas ter plaatse te bereiden door
het verwekken van de chemische reactie van natriumcyaanzuur en
18% zwavelzuur. Onlangs werd de bouw voltooid van een gasgenerator
voor een gaskamer voor twee (2) personen in de strafinstelling
van Jefferson City (de Missouri State Penitentiary). De auteur
was hiervan de technische adviseur.
Deze generator gebruikt een elektrisch verwarmde waterboiler om
op voorhand het HCN in een cilindrisch vat op kookpunt te brengen.
Op het ogenblik van gebruik is het HCN reeds verdampt en wordt
het via kleppen in de kamer gebracht. Een stikstof spoelsysteem
reinigt de leidingen na gebruik. De totale tijdsduur van de executie
beslaat minder dan vier minuten. De kamer wordt gelucht à
rato van ongeveer 1 luchtverversing per twee minuten gedurende
12 minuten, zodat ongeveer zeven (7) volledige luchtverversingen
plaatshebben.
De kamer kan gemaakt zijn van gelast metaal of van PVC. Deuren
en ramen dienen van standaard waterdichte scheepsconstructie te
zijn. De deur wordt afgesloten door één enkele drukgrendel.
Alle verlichting en elektrische hardware dienen beveiligd te zijn
tegen ontploffing. De kamer omvat: gasdistributieleidingen, gasgenerator
met een fles vloeibaar HCN, elektronische hartmonitoring, twee
(2) zitplaatsen voor de veroordeelden en een extern leesbare gasdetector
die per 10 ppm (parts per million) elektronisch afleesbaar is.
Daar het om een dodelijk gas gaat, staat de installatie onder
negatieve druk, om met zekerheid lekkagerisico's te vermijden.
De kamer wordt gecontroleerd door een pompsysteem dat de kamer
steeds onder een partiële druk van 0,7 atm. houdt (gedurende
de werking: 0,5 atm. plus 0,15 atm. HCN). De onderdruk wordt bereikt
met de buitendruk als referentie. Dit systeem wordt elektrisch
gecontroleerd door een rotatiepomp (0.3m3/minuut). Bovendien is
een drukschakelaar voorzien die een alarmsysteem in werking stelt
voor het geval de druk in de kamer 0,85 atm. bereikt, een 0,21
atm. boven de operationele grens.
Het aan- en uitvoersysteem is ontworpen voor één
luchtwisseling om de twee (2) minuten. De lucht wordt aangevoerd
via een 50m3/min. ventiel bij de ingang en de uitvoer gebeurt
via het plafond van de kamer. De ingaande en uitgaande kleppen
zijn van het binnenwaarts sluitende type om vacuümverlies
te voorkomen en worden elektrisch geprogrammeerd. De uitstoot
gebeurt via een 13 meter hoge PVC-pijp met een doorsnee van 32,5
cm waar de wind het gas zonder gevaar verspreidt. De inkomende
lucht dient te kunnen worden voorverwarmd om te voorkomen dat
het HCN zou condenseren en daardoor niet meer zou kunnen worden
afgevoerd.
Om veiligheidsredenen zijn gasdetectoren voorzien. Vooreerst in
de kamer zelf, waardoor het elektronisch onmogelijk wordt de kamer
te openen vooraleer alles veilig is; ten tweede buiten de kamer
zelf in de plaats voorzien voor de getuigen en het personeel,
gekoppeld aan een alarmsysteem dat automatisch bij gevaar een
afzuig- en luchtaanvoersysteem in werking stelt om de getuigen
te beschermen, de vergassingsprocedure te onderbreken en de ruimte
te kunnen evacueren. Het beveiligingssysteem bevat verder waarschuwingsbellen,
zoemers en lichten.
Verder zijn toestellen voor noodademhaling voorzien binnen het
bereik van de executiekamer, een HCN-eerste-hulpkoffer, medische
uitrusting voor HCN en reanimatieapparatuur in een nabijgelegen
ruimte voor het medisch personeel.
Bij de bouw van executiegaskamers dient men rekening te houden
met een samengaan van talrijke ingewikkelde problemen. Een fout
op een bepaald gebied kan, en zal wellicht, de dood of verwonding
veroorzaken van getuigen en technisch personeel.
Executiegaskamers in de Verenigde Staten sinds 1920
De eerste executiegaskamer werd in 1920 gebouwd in Arizona.
Ze bestond uit een luchtdicht compartiment met hermetisch sluitende
deuren en ramen, een gasgenerator, een elektrisch ontploffingsbeveiligingssysteem,
een lucht aan- en afvoersysteem, een voorziening om ammoniak bij
de luchtaanvoer te mengen en een mechanisch systeem om de gasgenerator
en de luchtafvoer te bedienen. De luchtaanvoer bestond uit een
aantal mechanisch te bedienen kleppen. Enkel de hardware werd
in de loop der tijd veranderd.
De gasgenerator bestond uit een pot, gevuld met een oplossing
van zwavelzuur en voorzien van een mechanisch te bedienen klep.
De kamer diende na gebruik met ammoniak geschrobd te worden. Ongeveer
25 korrels van elk 13 gram natriumcyanide (325 gram) werden gebruikt
en deze produceerden een concentratie van 3.200 ppm in een executiekamer
van 16m3.
In de daarop volgende jaren namen andere staten de HCN-executiegaskamer
over en veranderde de bouwtechniek. Eaton Metal Products ontwierp,
bouwde en verbeterde de meeste gaskamers. De meeste hadden 2 stoelen
en waren voorzien van een vacuümsysteem om te zorgen voor
een negatieve druk en inwaartse lekkage. Alle systemen gebruikten
de gasgeneratortechniek omdat het de meest efficiënte en
meest eenvoudige procedure was tot laat in de zestiger jaren.
Geen enkel systeem werd ooit ontworpen voor het gebruik van
Zyklon B of heeft dit ooit gebruikt. De reden is zeer eenvoudig.
Zyklon B neemt teveel tijd in beslag om het HCN te vervluchtigen
uit haar inerte drager en vereist vooraf opgewarmde lucht en een
temperatuurregelend systeem. Niet alleen is het gas niet onmiddellijk
beschikbaar, maar dreigt er voortdurend ontploffingsgevaar.
Het gasmengsel is meestal onder LEL (lower explosion limit)
van het gas/luchtmengsel van 0,32% (aangezien het mengsel normaal
de 3.200 ppm niet overschrijdt), maar de concentratie van het
gas nabij de generator (of bij de inerte drager in het geval van
Zyklon-B) is veel groter en kan wel 90% tot 99% bedragen. Dit
is bijna zuivere HCN en deze situatie kan op bepaalde ogenblikken
voorkomen in bepaalde gebieden van de kamer. De omgevende luchttemperatuur
of de opgewarmde luchttemperatuur moet aanzienlijk hoger zijn
en controleerbaar bij gebruik van Zyklon B (aangezien de verdamping
een zuiver fysisch proces is). Bij een gasgenerator mag de temperatuur
lager en hoeft deze niet gecontroleerd te worden aangezien de
chemische reactie in de generator autokatalytisch is na het opstarten.
Elektrische kontakten en schakelaars moeten tot een minimum herleid
worden, beveiligd tegen ontploffingsgevaar en aan de buitenkant
van de kamer aangebracht zijn. Enkel dankzij de technologie die
pas in de zestiger jaren geïntroduceerd werd, gebruikt het
systeem van de Missouri State Penitentiary, dat tot dusver het
meest vooruitstrevende is, een gasvervluchtiger en een aanvoersysteem
voor vloeibaar HCN, waardoor het gevaarlijke probleem van de behandeling
en de verwijdering van het achterblijvende Pruisisch zuurresidu
na de terechtstelling kan vermeden worden.
Zyklon B, dat op het eerste gezicht een efficiënter middel
lijkt om gas te verwekken en het Pruisisch zuurresidu uit te schakelen,
was echter geen oplossing voor dit probleem. Inderdaad, het gebruik
van Zyklon B vergroot de tijdsduur van de executie en hierdoor
wordt de duur van deze gevaarlijke procedure verlengd; bovendien
ontstaat er ontploffingsgevaar tengevolge van de opwarmingsvereisten.
Een alternatieve oplossing zou erin bestaan hebben het gas
buiten de executiekamer voor te verwarmen en het gas/ luchtmengsel
via leidingen naar de executiekamer te voeren, zoals trouwens
het geval is bij de Degesch-ontluizingscabines, maar dit veroorzaakt
grotere lekkagerisico's en vergroot het gevaar voor het technisch
personeel. Het blijft primaire technologie en is bedoeld om in
open lucht of in goed geventileerde ruimten gebruikt te worden
en enkel in aanwezigheid van getraind personeel met uitsluiting
van mensen zonder ervaring.
Arizona, Californië, Colorado, Maryland, Mississippi, Missouri,
Nevada, Nieuw-Mexico en Noord-Carolina hebben gas gebruikt als
terechtstellingsmethode. Maar omwille van de inherente gevaren
bij de behandeling van het gas en de hoge kosten van het onderhoud
van de uitrusting, besloten sommige staten (Nevada, Noord-Carolina
en Nieuw-Mexico) tot het gebruik van dodelijke injecties, of als
enige of als alternatieve mogelijkheid. De andere staten zullen
dit voorbeeld wellicht volgen. De auteur trad op als adviseur
voor de staten Missouri, Californië en Noord-Carolina.
Tenslotte was en is gasexecutie nog de kostelijkste terechtstellingsmethode,
omwille van fabricatie, kostprijs van het HCN, de uitgebreide
hardware en de onderhoudskosten van de uitrusting.
Toxische gevolgen van het HCN-gas
Medische testen hebben aangetoond dat een concentratie van
300 ppm cyaanwaterstof snel fataal is. In het algemeen wordt bij
terechtstellingen een concentratie van 3.200 ppm gebruikt om een
snelle dood te veroorzaken. Dit is een gewicht/volume van ongeveer
120 tot 150 gram per 0,06m3 gas, afhankelijk van temperatuur en
druk. Ongeveer 100 ppm HCN is fataal binnen 30 minuten. Toxische
effecten zijn: huidirritatie en huiduitslag, oogirritatie, vertroebeling
van het zicht en blijvend oogletsel, niet-specifieke misselijkheid,
hoofdpijn, duizeligheid, braken, verzwakking, versnelde ademhaling,
verlaagde bloeddruk, bewusteloosheid, krampen, coma en dood tengevolge
van een verstoring van het oxidatieve metabolisme (stofwisselingssysteem).
Cyaanwaterstof hoeft niet ingeademd te worden om dodelijk te zijn.
Bij concentraties van meer dan 50 ppm moet de gebruiker chemisch
bestendige kledij dragen om het lichaam te beschermen en ademhalen
met behulp van zuurstofflessen. Gasmaskers zijn over het algemeen
onvoldoende en zouden nooit mogen gebruikt worden. Er zijn speciale
medische kits en medicamenten voorzien en deze dienen overal aanwezig
te zijn waar personen met het gas in aanraking kunnen komen.
Kort historisch overzicht van de zogezegde Duitse executiegaskamers
Op basis van voor de auteur beschikbare documentatie, werd
gesteld dat de Duitsers een reeks grote (drie of meer installaties)
gaskamers voor terechtstellingsdoeleinden zouden gebouwd hebben
te beginnen einde 1941 en deze gebruikt te hebben tot einde 1944.
Aanvankelijk vonden de eerste zogezegde vergassingen plaats in
een ondergrondse ruimte te Auschwitz I; daarna in twee omgebouwde
boerderijen te Birkenau (Auschwitz II) gekend als het rode en
het witte huis of bunker 1 en 2, vervolgens in Krema I te Auschwitz
en Krema's II, III, IV en V te Birkenau en een experimentele installatie
te Majdanek. Deze installaties zouden zogezegd gewerkt hebben
met cyaanwaterstof onder de vorm van Zyklon-B. Majdanek zou ook
koolstofmonoxide (CO) gebruikt hebben.
Volgens de officiële literatuur die verkregen werd in de
Staatsmusea van Auschwitz en Majdanek bevonden deze executie-installaties
zich in concentratiekampen in een uitermate geïndustrialiseerd
gebied, waarbij de gevangenen werden gebruikt als arbeidskrachten
in de op de oorlogsinspanning ingestelde fabrieken. Deze installaties
beschikten ook over crematoria voor de verassing van degenen die
zogezegd geëxecuteerd werden.
Bovendien zouden er ook installaties bestaan hebben die enkel
CO gebruikten en die gelegen waren te Belzec, Sobibor, Treblinka
en Chelmno (gaswagens). Deze installaties zouden tijdens of na
W.O.II vernietigd zijn, werden door mij niet geïnspecteerd
en behoren niet direct tot het voorwerp van dit rapport.
Even hier toch een kort overzicht betreffende carbon monoxide
(CO). CO-gas is een betrekkelijk onaangepast executiegas: het
vraagt teveel tijd om de dood tot gevolg te hebben, waarschijnlijk
ongeveer 30 minuten en, bij ontoereikende luchtcirculatie, meer.
Om CO te gebruiken is een hoeveelheid van 4000 ppm noodzakelijk
en is het noodzakelijk de kamer onder een druk van 2,5 atm. te
plaatsen. Ook werd C02 (kooldioxide) als middel vernoemd. C02
is echter nog minder geschikt dan CO. Deze gassen zouden - naar
men beweert - opgewekt zijn door dieselmotoren. De uitstoot van
dieselmotoren bevat zeer weinig koolstofmonoxide en vereist dat
de executiekamer vooraf onder druk zou worden gezet met het lucht/gasmengsel
om voldoende gas te hebben die de dood kan veroorzaken. Koolstofmonoxide
in een hoeveelheid van 3.000 ppm of 0,3 % zal na blootstelling
gedurende 1 uur misselijkheid en hoofdpijn tot gevolg hebben en
misschien schade op lange termijn. Concentraties van 4.000 ppm
en meer zullen pas fataal zijn na blootstelling gedurende ruim
1 uur. De auteur wil erop wijzen dat in een ruimte die voor de
volle capaciteit gevuld is met mensen, eerder de dood zal intreden
door verstikking (door verbruik van de beschikbare zuurstof) dan
tengevolge van de uitwerking van het gas. M.a.w. het eenvoudig
opsluiten van de te executeren personen in deze beperkte ruimte
maakt het gebruik van zowel CO als C02 overbodig.
De zogezegde executie-installaties van Auschwitz I (Krema I) en
van Majdanek bestaan nog, naar men beweert, in de originele vorm.
Te Birkenau zijn de Krema's II, III, IV en V ingestort of tot
op de fundamenten afgebroken. Bunker I (het rode huis) bestaat
niet meer en Bunker II (het witte huis) is nu herbouwd en in gebruik
als private woning. Te Majdanek werd de eerste op olie gestookte
verbrandingsoven met de zogezegde gaskamer herbouwd, waarbij alleen
de ovens origineel zijn.
Krema I te Auschwitz, Krema's II, III, IV en V te Birkenau en
het bestaande crematorium te Majdanek zouden gecombineerde gaskamers
en crematoria geweest zijn.
Het rode en het witte huis zouden uitsluitend gaskamers geweest
zijn. De experimentele gaskamers te Majdanek lagen niet naast
het crematorium en er was een afzonderlijk crematorium, dat nu
niet meer bestaat.
Ontwerp en werkwijze van de zogezegde executiegaskamers
Het lijkt op basis van het onderzoek van de beschikbare historische
documenten en van de installaties zelf dat de meeste van de zogezegde
gaskamers een aanpassing zijn van een vroeger ontwerp, plan en
structuur. Dit is het geval met uitzondering van de zogenaamde
experimentele kamers te Majdanek, die specifiek met dat doel (gasexecutie)
zouden gebouwd zijn.
Bunkers I en II worden in de literatuur van het Auschwitz Staatsmuseum
omschreven als verbouwde boerderijen met verschillende hermetisch
afsluitbare kamers en vensters. Deze bestaan niet meer in hun
originele vorm en werden niet onderzocht. De Krema's I, II, UI,
N en V staan beschreven, en dit bleek ook zo bij nazicht, als
omgebouwde lijkenhuizen (morgue) verbonden met en gehuisvest in
hetzelfde gebouw als de crematoria.
Uit de inspectie ter plaatse bleek dat het om uitzonderlijk
armzalige en gevaarlijke constructies gaat, indien ze hadden moeten
dienen als executiegaskamers:
1. Er zijn geen hermetisch sluitende deuren, ramen of ventielen.
2. De installatie is niet bekleed met teer of een ander afsluitmiddel
om lekkage of absorptie te voorkomen.
3. De nabijgelegen crematoria betekenen een permanent ontploffingsgevaar.
4. De aan het gas blootgestelde poreuze steen en metselkalk zou
het HCN accumuleren en deze installatie, voor jaren voor menselijke
toegang gevaarlijk maken.
5. Krema I bevindt zich naast het SS-hospitaal van Auschwitz
en heeft bovendien aflopen in de vloer die verbonden zijn met
de hoofdriolering van het kamp, via dewelke het gas tot in ieder
gebouw van het kamp kon geraken.
6. Er waren geen luchtafvoersystemen om het gas na gebruik uit
te stoten. Er was evenmin opwarmingsapparatuur of uitrusting voor
ventilatie om het Zyklon B-gas naar binnen te voeren en te verdampen.
7. Naar verluidt zou men Zyklon B via dakroosters of via ramen
naar binnen hebben geworpen waardoor echter een gelijkmatige verspreiding
van het gas of de korrels onmogelijk was.
8. De gaskamers zijn overal vochtig en onverwarmd; zoals reeds
eerder vermeld gaan vochtigheid en Zyklon B niet samen.
9. De gaskamers zijn te klein om fysisch het beweerde aantal
mensen te kunnen bevatten. De deuren gaan naar binnen open, een
situatie die het verwijderen van de lijken in de weg staat.
10. Indien de executieruimte volledig met mensen zou zijn gevuld,
dan wordt de circulatie van het HCN hierdoor onmogelijk. Daarbij
komt dat, gesteld dat het gas uiteindelijk na verloop van tijd
toch de hele ruimte zou gevuld hebben, dit ook de dood tot gevolg
zou hebben gehad van het personeel dat het Zyklon B door de dakroosters
naar binnen heeft geworpen, bij de controle of het HCN haar uitwerking
bereikt heeft.
Geen enkele van de zogezegde executiegaskamers werd gebouwd overeenkomstig
de gebruikelijke ontsmettingscabines die reeds gedurende vele
jaren effectief, bevredigend en veilig gewerkt hadden. Geen enkele
installatie beantwoordde aan de bouw van de gekende en als efficiënt
ervaren installaties die in die tijd al jaren in de Verenigde
Staten operationeel waren. Het lijkt erg ongewoon dat de ontwerpers
van deze zogezegde gaskamers nooit de Amerikaanse technologie
geraadpleegd of verwerkt zouden hebben, aangezien de Verenigde
Staten toen het enige land was dat executie door middel van gas
uitvoerde.
De installaties te Majdanek zijn eveneens ongeschikt om aan
het gestelde doel te beantwoorden.
Vooreerst bevindt er zich een wederopgebouwd crematorium met
een zogezegde gaskamer. Enkel de verbrandingsovens zijn origineel.
1. Men beweert dat het gebouw wederopgebouwd werd volgens de
originele plannen. Deze bestaan echter niet meer.
2. De installatie, zoals die er nu staat, is niet van die aard
dat ze gas kan behandelen, opvangen en behouden in de zogezegde
gaskamer.
3. De gaskamer zelf is te klein om er de beweerde aantallen slachtoffers
te hebben kunnen opvangen.
4. Het gebouw is te vochtig en te koud om Zyklon B-gas naar wens
te kunnen gebruiken. Het gas zou tot bij de ovens geraakt zijn,
de technici hebben gedood en vervolgens de ontploffing en vernietiging
van het gebouw hebben veroorzaakt.
5. Het gebouw opgetrokken in stortbeton is totaal verschillend
van de andere gebouwen.
Kortom, het gebouw kon niet gebruikt worden voor haar zogezegde
bestemming en mist zelfs de minimale voorwaarden van een gaskamerconstructie.
De tweede installatie te Majdanek staat op de plannen afgebeeld
als een gebouw in U-vorm, maar vormt nu 2 aparte gebouwen. Het
complex staat op de plannen aangeduid als bad- en desinfectiegebouw
1 en 2. Een van de gebouwen is duidelijk een desinfecteerinstallatie
en is opgevat zoals de andere ontluizingsinstallaties in Birkenau.
Het tweede gebouw van het complex is iets anders. Het voorste
gedeelte bevat een stortbadruimte en een zogezegde gaskamer. De
aanwezigheid van blauwzuurvlekken in deze kamer komt overeen met
de vlekken die aangetroffen worden in de ontluizingsinstallatie
van Birkenau. Deze ruimte heeft 2 raamventielen die dienden tot
verluchting van de kamer na een ontluizingsprocedure. Het Zyklon
B zou er manueel over de vloer verspreid zijn.
Deze ruimte is duidelijk geen executiegaskamer. Er is wel voorziening
voor luchtcirculatie maar er is geen afvoerschouw voor de ontluchting.
Deze ruimte, evenmin als de andere installaties, is niet gebouwd,
is niet in staat of is niet gebruikt als executiegaskamer.
Achterin het gebouw bevinden zich de zogezegde experimentele
gaskamers. Deze ruimte bevat een tochttunnel, een controleruimte
en twee kamers die zouden gediend hebben als gaskamers. Een derde
ruimte was afgesloten en niet toegankelijk voor inspectie. Deze
kamers zijn uniek in die zin dat er in beide pijpleidingen liggen
waarlangs zogezegd koolstofmonoxide zou kunnen gebruikt zijn,
gecontroleerd vanuit de controlekamer. Een van de kamers heeft
een potentiële uitlaat in het plafond, die echter zichtbaar
niet naar buiten leidt. De andere kamer heeft een verwarmingssysteem
om warme lucht de kamer in te stuwen. Het circulatiesysteem is
ondeskundig ontworpen, waarbij de in- en uitvoeropeningen te dicht
bij elkaar liggen om behoorlijk te kunnen werken en er is evenmin
voorziening voor ventilatiekleppen.
Opmerkelijk is de sponning of gleuf die in de vier (4) stalen
deuren te zien is, wat erop lijkt te wijzen dat er een pakking
voorzien was. Het lijkt erop dat beide kamers zouden gebruikt
zijn voor Zyklon B of koolstofmonoxide. Dit is echter onjuist.
Een van de twee kamers werd nooit afgewerkt en kon nooit aangewend
worden voor koolstofmonoxide. Ze is evenmin ontworpen voor HCN,
ondanks de bewering dat ze met dit doel gebruikt is geweest.
De grotere ruimte was niet ontworpen voor HCN gebruik. Ondanks
de aanduiding op de deur van "Experimenteel", is deze
ruimte ongeschikt om een executie met CO uit te voeren omdat het
in dat geval noodzakelijk is 4.000 ppm CO te produceren (de dodelijke
concentratie) bij een vereiste druk van 2,5 Atm.
In beide kamers ontbreken de basisvereisten voor verluchting,
verwarming, luchtcirculatie en lekkage. Nergens werd de steen,
de bezetting of de metselspecie behandeld met een afdichtingsproduct,
noch aan de binnenkant, noch aan de buitenkant.
Hoogst merkwaardig in dit complex is het feit dat deze kamers
langs drie zijden begrensd zijn door een lager gelegen stenen
wandelpad. Dit is totaal onverenigbaar met verstandige gaskamerconstructie,
aangezien eventuele gasdoorsijpeling zich in deze verlaging zal
opstapelen en, beschut tegen de wind, niet zou verdwijnen. Dit
zou betekenen dat het hele gebied als een dodelijk val werkt,
vooral bij gebruik van HCN.
De auteur moet daarom besluiten dat deze installatie nooit
kan bedoeld geweest zijn voor zelfs maar een beperkt gebruik van
HCN-gas.
Crematoria
Een uitwijding over crematoria, zowel oude als nieuwe, is noodzakelijk
om na te gaan of de Duitse crematoria de hun toegeschreven taak
hebben kunnen uitvoeren.
Het verassen van een dode is geen nieuw concept. In vele culturen
was dit gedurende eeuwen gebruikelijk. Desondanks werd het door
de katholieke kerk afgekeurd en niet meer toegepast tot de kerk
op het einde van de 18de eeuw haar oppositie matigde.
Verassing is in het orthodoxe Judaïsme verboden. In Europa
kwam crematie in beperkte mate terug in voege in het begin van
de 19de eeuw. Het was aangewezen bij bestrijding van de pest,
voor het vrijmaken van grond en vermeed het bijhouden van overledenen
gedurende de winter wanneer de grond bevroren was.
De eerste ovens in Europa waren kolen- of cokesgestookt. De oven
of vuurhaard waarin de lichamen gecremeerd worden noemt men gewoonlijk
retort. De vroegste retorten waren eenvoudige ovens die al de
vloeistoffen uit het lichaam kookten en het tot as herleidden.
Beenderen kunnen niet verbrand worden en moesten worden verpulverd,
ook nu nog, met dit verschil dat de stamper en de vijzel vervangen
zijn door een vergruizingsmachine. Moderne retorten werken meestal
op gas, alhoewel sommigen nog op olie werken. Geen enkel crematorium
in de Verenigde Staten of Canada werkt op kolen of cokes.
Vroegere retorten waren eenvoudige droog- of bakovens die het
menselijk lichaam uitdroogden. Moderne retorten blazen een vlam
uit een mondstuk waardoor het lichaam vuur vat en snel verbrandt.
Moderne retorten hebben bovendien een tweede of naverbranding
om alle resterende afvalstoffen en gassen te verbranden. Deze
tweede verbranding is een verplichting die de meeste staten opgelegd
hebben om luchtverontreiniging te voorkomen. Op te merken valt
dat deze vervuiling niet het gevolg is van de menselijke resten.
De verontreiniging is volledig het gevolg van het gebruik van
fossiele brandstoffen. Een elektrische retort zou geen verontreiniging
veroorzaken, maar is financieel niet haalbaar.
Moderne retorten of crematoria verassen op een temperatuur van
1300°C. met een naverbrandingstemperatuur van 900°C. Deze
hoge temperatuur zorgt ervoor dat het lichaam verbrandt en zichzelf
verteert. Houten kisten en papieren dozen kunnen nu samen met
het lichaam verbrand worden; in het verleden gebeurde dit niet.
Enkele Europese crematoria werken traditioneel op een lagere temperatuur
(800°C.) gedurende een langere tijd.
Bij een temperatuur van 1300°C. of meer en bij een luchtaanvoer
van buiten uit van 80m3/min kunnen moderne retorten een
lichaam in 1,25 uur cremeren. Theoretisch betekent dit 19,2 lichamen
op 24 uur. De aanbeveling van de fabrikant voor een normale aanwending
en bij doorlopend gebruik bedraagt drie (3) of minder crematies
per dag. Ouderwetse olie-, kolen- of cokesgestookte haarden met
luchtaanvoer (maar zonder direct vlamcontact) behoeven 3,5 tot
4 uur per lichaam. Dit zou theoretisch per etmaal komen op maximum
6 tot 8 lichamen. Bij normale werking rekent men op drie (3) verassingen
op 24 uur.
(Deze berekeningen gelden voor 1 lichaam per retort per crematie.)
De hedendaagse retorten zijn allemaal van staal en aan de binnenzijde
bekleed met hittebestendige tegels. De brandstof wordt rechtstreeks
via leidingen tot aan de retort gevoerd en alle controles verlopen
elektrisch en automatisch. De kolen- en cokesgevoede retorten
brandden niet steeds op een constante temperatuur (ongeveer 900°C.)
en moesten voortdurend manueel bijgeregeld, getemperd of opgevoerd
worden. Aangezien het vuur niet direct in aanraking kwam met het
lichaam, kon alleen de blazer de vlammen aanwakkeren en de temperatuur
in de oven doen stijgen. Met deze rudimentaire werkwijze kon waarschijnlijk
een gemiddelde temperatuur van 900°C. bereikt worden.
De crematoria die in de Duitse kampen onderzocht werden waren
van dit oudere type.
Ze waren opgetrokken in rode baksteen en metselspecie en bekleed
met hittebestendige tegels. Alle ovens hadden meerdere retorten,
sommige waren voorzien van blaasluchtinrichting (ofschoon geen
enkele oven directe verbranding had), geen enkele had naverbranding
en alle werden gevoed met cokes op uitzondering van één
niet meer bestaande installatie te Majdanek.
Geen enkele van de geïnspecteerde en onderzochte retorten
was uitgerust voor verbranding van meerdere lichamen tegelijk.
HCN, cyaansamenstellingen en crematoria uit chemisch oogpunt
Zoals eerder gezegd werden stalen genomen van stenen, cementspecie,
beton en sedimenten, geselecteerd op verschillende plaatsen in
Polen. Cyaanzuur en cyaanzuurcomponenten kunnen in een locatie
gedurende lange tijd sporen nalaten, en indien ze niet reageren
op andere chemische elementen, achterblijven in steen en cementspecie.
Er werden 31 stalen geselecteerd uit de zogezegde gaskamers van
Krema I, II, III, IV en V. Een controlestaal werd genomen in de
ontluizingsinstallatie nr. 1 te Birkenau.
Het controlestaal werd genomen uit een ontluizingskamer waarvan
geweten was dat er cyaanzuur werd gebruikt en dit was zichtbaar
aanwezig in de vorm van blauwe vlekken. De scheikundige analyses
van dit controlestaal nr. 32 vertoonden een cyaanzuur aanwezigheid
van 1.050 mg/kg, een zeer hoge concentratie.
De omstandigheden van de plaatsen waar de stalen werden genomen
waren identiek aan die van het controlestaal: koud, donker en
vochtig. Enkel de Krema's IV en V vormden hierop een uitzondering,
in die zin dat er zonlicht was (de gebouwen werden opgeblazen)
en zonlicht kan het verdwijnen van niet-geagglomereerd cyaan versnellen.
Cyaanzuur verenigt zich met het ijzer in de metselspecie en in
de steen en wordt ferric-ferro-cyaanzuur of Pruisisch blauwpigment,
een zeer stabiele ijzer-cyaanzuursamenstelling.
De plaatsen waar de geanalyseerde stalen werden genomen staan
vermeld in Tabel III.
Auschwitz I:
Krema 1 - samples #25 through #31.
Birkenau (Auschwitz II):
Krema II - samples # 1 through #7;
Krema III - samples #8 through #11;
Krema IV - samples # 13 through #20;
Krema V - samples #21 through #24;
Sample #12 is a gasket sample from the Sauna at Birkenau.
Sample #32 is the Control Sample obtained from Delousing Facility
#1, Birkenau
Table III: Locations of Analyzed Samples
Te noteren valt dat zowat alle stalen negatief waren en
dat de enkele die positief waren dichtbij het detectieniveau lagen
(1 mg/kg); 6-7 mg/kg in Krema III, 7-9 mg/kg in Krema I. De afwezigheid
van enige belangrijke meting op alle onderzochte stalen in vergelijking
tot het controlestaal, dat 1.050 mg/kg aangaf, bevestigt de eerdere
aanwijzingen dat deze inrichtingen geen executiegaskamers waren.
De lage metingen duiden erop dat deze gebouwen, zoals trouwens
alle gebouwen in deze kampen, op zeker ogenblik met Zyklon B gedesinfecteerd
werden. Bovendien vertonen de plaatsen met blauwe vlekken een
hoog ijzergehalte, wat wijst op ferric-ferrocyaanzuur, en geen
cyaanwaterstof meer. (zie tabel IX in bijlage)
Men zou normaal verwacht hebben dat de stalen die in de zogezegde
gaskamers genomen werden een veel hogere cyaanwaterstof detectie
zouden moeten opgeven (tengevolge van de veel grotere hoeveelheden
gas die er zouden verbruikt zijn) dan de hoeveelheid die in het
controlestaal werd aangetroffen. Aangezien het tegengestelde blijkt,
kan men niet anders dan besluiten dat deze installaties geen executiegaskamers
geweest zijn, als bijkomende bewijsvoering bij alle andere reeds
vastgestelde bewijsstukken.
Bewijsstukken omtrent de werking van de crematoria zijn niet
voorhanden aangezien de oven van Krema I volledig herbouwd werd,
de Krema's II en III gedeeltelijk vernietigd, waarbij onderdelen
ontbreken en Krema's N en V niet meer bestaan. Te Majdanek is
één Krema volledig verdwenen en het tweede Krema
werd herbouwd, met uitzondering van de ovens.
Bij visueel onderzoek van de "Herinnerings-Asheuvel"
te Majdanek blijkt de asse een vreemde kleur te hebben: beige.
Echte asse van menselijke lichamen is oestergrijs. Wellicht ligt
er zand in deze heuvel.
De auteur zal bijkomend in dit gedeelte de verbrandings(crematie)putten
bespreken. De auteur bezocht en onderzocht deze putten persoonlijk
te Birkenau.
Het meest opvallende bij deze putten is het grondwaterniveau
dat zich op ongeveer 0,5 meter onder de oppervlakte bevindt. Volgens
de geschreven bronnen waren deze putten 6 meter diep. Het is onmogelijk
lichamen onder water te verbranden, zelfs met behulp van een artificiële
versneller (benzine). Alle putten, zoals ze op de museumkaarten
staan aangeduid, werden geïnspecteerd en, zoals gezegd, stond
het water in al deze putten op minder dan 0,5 meter diepte (de
streek van Birkenau is moerasgebied).
Het is de mening van de auteur dat er geen verbrandingsputten
te Birkenau bestaan hebben.
Auschwitz: Krema I
Een gedetailleerde studie van de officieel als executiegaskamer
voorgestelde installatie in Krema I en een gedetailleerde analyse
van de plannen die in het museum aangeschaft werden; tonen aan
dat de zogezegde gaskamer op het ogenblik van de zogezegde vergassingen
in feite een lijkbergingsruimte (morgue) was, en later een schuilkelder
tegen luchtaanvallen.
De schets van Krema I, opgesteld door de auteur en afgedrukt in
dit rapport, slaat op de periode van 25 september 1941 tot 21
september 1944. Het toont een lijkenhuis van ongeveer 217m3 met
twee deuropeningen, echter zonder uitgang naar buiten. De ene
deur verleent toegang tot het crematorium en de andere deur tot
de wasplaats. Waarschijnlijk bevatte geen enkele deuropening een
deur, maar dit is niet te verifiëren, daar één
muur en één muuropening afgebroken werden.
De gids uitgegeven door het Auschwitz Staatsmuseum vermeldt dat
het gebouw zich nog in de oorspronkelijke staat bevindt, zoals
op de dag van de bevrijding, 27 januari 1945.
In het lijkenhuis zijn er 4 dakroosters en er is 1 verwarmingskanaal.
Dit kanaal staat open en aan niets merkt men dat het ooit gesloten
is geweest. De dakroosters hebben geen afdichtingspakking en aan
het nieuwe hout merkt men dat het onlangs hermaakt is. Muren en
plafond zijn van pleisterkalk en de vloer is van stortbeton. Het
vloeroppervlak bedraagt ongeveer 78m2. Het plafond is door zuilen
ondersteund en op de vloer kan men de sporen zien waar zich vroeger
de muren van de luchtschuilkelder hebben bevonden. De verlichting
was en is nu evenmin beveiligd tegen ontploffingsgevaar. Er zijn
afvoeropeningen in de vloer van de ruimte die in verbinding staan
met de afvoer van het rioleringssysteem van het kamp.
Wanneer we 0,80m2 ruimte nemen per persoon om de gascirculatie
mogelijk te maken, wat op zich al uiterst weinig is, dan kunnen
maximaal 94 personen tegelijk in deze ruimte. Er werd echter geschreven
dat in deze ruimte tot 600 mensen op elkaar gepakt werden. Deze
zogezegde executiegaskamer is, zoals reeds eerder gezegd, niet
ontworpen voor dusdanig gebruik:
1. Er is geen teken dat wijst op het bestaan van een installatie
voor luchtcirculatie, ventielen of iets van die aard in het ganse
gebouw.
2. Het verluchtingssysteem bestaat enkel uit vier (4) vierkante
dakroosters die zich niet hoger dan 60 cm boven het dak bevinden.
Het ventileren van het HCN-gas op deze manier zou er zonder twijfel
toe leiden dat het gas het SS-hospitaal zou bereiken dat zich
in de onmiddellijke nabijheid bevindt aan de overkant van de,
weg en dat het de patiënten en het personeel zou gedood hebben.
Omdat het gebouw de volgende gebreken vertoont:
1. er zijn geen afdichtingen om lekkage te voorkomen
2. er zijn geen hermetisch sluitende deuren die het gas zouden
beletten het crematorium te bereiken
3. er zijn afvoeropeningen in de vloer, waardoor het gas elk
gebouw in het kamp kon bereiken
4. er is geen verwarmingsinstallatie
5. er is geen installatie voor een luchtcirculatie
6. er is geen luchtafvoersysteem of schoorsteenpijp
7. er is geen gasdistributiesysteem
8. er heerst een constante vochtigheid
9. er is geen gascirculatie mogelijk door de aanwezigheid van
mensen in de ruimte
10. er is geen middel voorzien om Zyklon B op deskundige wijze
in te voeren.
Het zou zelfmoord geweest zijn om deze lijkenkamer te gebruiken
als executiegaskamer. Het resultaat zou een ontploffing zijn of
lekken die het ganse kamp zouden vergassen.
Verder, in de veronderstelling dat de ruimten toch aldus zouden
zijn gebruikt, en op basis van Degesch cijfermateriaal (110 gram
per 28m3), zouden 0,86kg Zyklon B-gas iedere keer gedurende 16
uur bij 14°C gebruikt worden (het brutogewicht van Zyklon
B is gelijk aan 3 maal dit van Zyklon B-gas) (volgens de ontsmettingsvoorschriften
van de Duitse overheden). De ventilatie moet minstens 20 uur geduurd
hebben en gevolgd zijn door testsom uit te maken of de ruimte
veilig was. Het is zeer de vraag of bij ontstentenis van een luchtafvoersysteem
de ruimten na een week terug zouden kunnen betreden worden.
Dit is duidelijk in tegenspraak met de beweringen dat verschillende
vergassingen per dag uitgevoerd werden.
In tabel IV staande theoretische en werkelijke tijdratio's
van Krema I en van de zogezegde executiegaskamer bij maximale
capaciteit.
Birkenau: Krema's II, III, IV en V
Gedetailleerde bestudering van deze crematoria gaf het volgende
resultaat.
Krema's II en III vormen een spiegelbeeld en bestaan uit verschillende
lijkenkelders en een crematorium met elk 15 retorten. De lijkenhallen
bevonden zich in de kelder en de crematoria bevinden zich op het
gelijkvloers. Er was een lift in gebruik voor het transport van
de lichamen van het lijkenhuis naar het crematorium. Het gebouw
is opgetrokken in baksteen, cement en beton.
De opgenomen schetsen zijn gemaakt op basis van de originele planafdrukken
bekomen in het Auschwitz Staatsmuseum en uit observaties en opmetingen
ter plaatse genomen.
De onderzochte ruimten waren de zogezegde gaskamers die als lijkenhuis
nr. 1 op de beide tekeningen aangeduid staan. Zoals reeds werd
opgemerkt voor Krema I is ook hier geen spoor van ventilatie,
verwarmingssysteem, luchtcirculatiesysteem, isolering noch aan
de binnenkant, noch aan de buitenkant, en zijn er evenmin deuren
in het lijkenhuis van Krema II. Deze plaats werd door de auteur
onderzocht en vertoonde geen spoor van deuren of deurophangingen.
Voor Krema III kon de auteur niet hetzelfde onderzoek doen, aangezien
gedeelten van het bouwwerk niet meer bestaan.
Beide gebouwen hadden een dak van gewapend beton zonder enige
zichtbare opening. De berichten die de ronde doen over holle pijlers
waardoor het gas zou zijn aangevoerd, zijn onjuist. Al de pijlers
zijn solide en van gewapend beton zoals aangeduid op de in beslag
genomen Duitse plannen.
Deze installaties zouden uiterst gevaarlijk geweest zijn, indien
ze als gaskamers zouden zijn gebruikt. Zulk gebruik zou onvermijdelijk
de dood van het personeel tot gevolg gehad hebben, en een ontploffing
op het ogenblik dat het gas het crematorium zou bereiken.
Iedere installatie had een lift van 2,1 x 1,35 meter voor het
transport van de lichamen. Het is duidelijk dat deze lift enkel
voldoende was voor het transport van één (1) lichaam
en één personeelslid.
De zogezegde gaskamers in Krema II en III hebben een oppervlakte
van 232m2. Dit biedt theoretisch plaats voor 278 mensen uitgaande
van ongeveer 0,8m2 per persoon. Wanneer de gaskamer met voldoende
HCN-gas zou gevuld zijn (110 gr per 28m3) en bij een plafondhoogte
van 2,5m en een volume van 566m3, dan heeft men 2,2 kg Zyklon
B-gas nodig. Zoals voor Krema I gaan we uit van een ventilatietijd
van 1 week. Deze ventilatietijd valt nog zeer te betwijfelen,
maar we nemen ze aan om onze berekeningen te kunnen maken.
Krema's IV en V vormen eveneens een spiegelbeeld en bestaan
uit crematoria met 2 stookplaatsen met elk 4 retorten, en verschillende
ruimten die gebruikt werden voor lijkenberging, kantoren en voorraadplaatsen.
De kamerindeling komt niet overeen met het spiegelbeeld.
Van sommige kamers wordt beweerd dat ze werden gebruikt als gaskamers.
Het is onmogelijk om dit op basis van fysische waarneming te weten
te komen, aangezien de gebouwen lang geleden met de grond gelijk
gemaakt werden. Nergens was op de vloer of de fundamenten een
spoor van afdichting vast te stellen. Volgens verslagen zou Zyklon
B-gas in de vorm van korrels door muuropeningen naar binnen geworpen
zijn. Deze muuropeningen bestaan nu niet meer.
Indien de plannen van dit gebouw juist zijn, dan waren deze
installaties evenmin gaskamers, om dezelfde redenen als opgesomd
voor Krema's I, II en III.
Het gebouw was blijkbaar opgetrokken in rode baksteen en metselspecie
met een betonnen vloer en zonder onderkeldering. Te noteren valt
dat voor het bestaan van de crematie- en executie-installaties
Krema IV en V geen stoffelijk bewijs aanwezig is.
Met als basis de statistieken verkregen bij het Auschwitz Staatsmuseum,
de opmetingen ter plaatse van Krema's IV en V, en een veronderstelde
plafondhoogte van 8 voet, zien de berekende statistieken er als
volgt uit:
Krema IV: 175m2 kunnen 209 mensen bevatten; 425m3 benodigen 1,7
kg Zyklon B-gas à rato van 0,11 kg per 28 m3.
Krema V: 476 m2 kunnen 570 mensen bevatten; 1.160m3 benodigen
4,6 kg Zyklon B-gas à rato van 0,11 kg per 28 m3.
Het rode en het witte gebouw, ook aangeduid als bunker 1 en
2, zouden naar men beweert uitsluitend gaskamers geweest zijn.
Er bestaan geen cijfers of statistieken die op deze gebouwen betrekking
hebben.
Majdanek
Te Majdanek zijn er verschillende installaties van belang.
1. het originele crematorium dat nu niet meer bestaat
2. het crematorium met de zogezegde executiegaskamer, nu heropgebouwd.
3. het bad- en desinfectiegebouw nr. 2, dat zichtbaar een ontluizingsinstallatie
geweest is.
4. het bad- en desinfectiegebouw nr. 1,waarin zich een doucheruimte,
een ontluizingsinstallatie, een opslagruimte en zogezegde experimentele
CO- en HCN- gaskamers bevonden.
Het eerste crematorium dat apart stond en dat afgebroken werd,
werd reeds eerder besproken.
Een inspectie door de ramen van de bad- en desinfectie-installatie
nr. 2 die afgesloten was, bevestigt dat dit gebouw enkel als ontluizingsinstallatie
gebruikt werd en gelijkt op de Birkenau-inrichting. Het wederopgebouwde
crematorium en de zogezegde gaskamer, alhoewel reeds eerder besproken,
zal hier nogmaals bondig bekeken worden.
De stookplaatsen zijn het enige gedeelte van de oorspronkelijke
infrastructuur die niet herbouwd werden. De basisstructuur lijkt
op het eerste zicht van hout te zijn, zoals al de andere gebouwen
te Majdanek (uitgezonderd de experimentele gaskamers). Niettemin
blijkt bij nader onderzoek dat een groot deel van het gebouw opgetrokken
is uit gewapend beton, wat totaal niet overeenstemt met de bouwwijze
van de rest van het kamp.
De zogezegde executiegaskamer ligt nabij het crematorium en
is duidelijk niet aangepast om HCN-gas te behandelen. Het gebouw
is niet geïsoleerd en is onbruikbaar voor haar zogezegde
bestemming. Het is, naar men zegt, wederopgebouwd op basis van
het originele plan - dat niet meer bestaat - en is fysisch gezien
niets meer dan een crematorium met verschillende plaatsen voor
lijkberging. Het is van alle veruit de kleinste en minst beduidende
zogezegde gaskamer.
De ontluizings- en stockeerruimten in het bad- en desinfectiegebouw
1 is in L-vorm intern ingedeeld met houten tussenschot en deur.
Het heeft een volume van ongeveer 217m3 en een oppervlakte van
75m3. Het is een balkenconstructie en de muren zijn bezet met
pleisterkalk; in het plafond bevinden zich twee ventileeropeningen
zonder sluiting. Het bevat een luchtcirculatiesysteem dat echter
slecht is uitgewerkt aangezien de aan- en uitvoeropeningen te
dicht bij elkaar geplaatst zijn. Blauwe vlekken, blijkbaar afkomstig
van ferric-ferro-cyaanzuurpigmenten, kleuren zichtbaar de wanden.
Op basis van het ontwerp kan men opmaken dat dit een ontluizingsruimte
of stockeerruimte voor ontluisde voorwerpen geweest is. De deuren
hebben geen dichtingpakking en zijn niet ontworpen om hermetisch
te sluiten. De kamers zijn noch van binnen noch van buiten bekleed
met een afdichtingsproduct. Verschillende kamers in het gebouw
waren blijvend gesloten, zodat de auteur deze niet heeft kunnen
inspecteren.
Deze kamer is duidelijk geen executiegaskamer en beantwoordt
aan geen enkele van de beschreven criteria.
Indien ze als dusdanig zouden gebruikt geweest zijn, dan zouden
ze maximaal 90 mensen hebben kunnen bevatten en ongeveer 1 kg
Zyklon B nodig hebben. De ventilatietijd zou minstens één
week bedragen. De maximale gebruiksratio bedraagt 90 mensen
per week.
De zogezegde experimentele gaskamers gevestigd in bad- en desinfectiegebouw
1, zijn opgetrokken in steen en verbonden met het hoofdgebouw
door middel van een rudimentaire houten optrek. Het gebouw is
langs drie zijden omgeven door een lager gelegen betonnen pad.
Er zijn twee kamers, een niet gedefinieerde ruimte en een controlehokje,
waar zich twee stalen cilinders bevinden, waarvan wordt beweerd
dat ze koolstofmonoxide zouden bevat hebben, dat via buizen naar
de twee kamers leidt.
Er zijn vier stalen deuren, voorzien van een sponning, die wellicht
gediend heeft om een dichting te bevatten. De deuren gaan naar
buiten open en worden gesloten door middel van twee mechanische
grendels en een stanggrendel. De vier deuren hebben kijkgaten
en de twee binnenste deuren zijn voorzien van chemische cilinders
om de lucht in de kamer te meten.
Het controlekamertje heeft een open venster van ongeveer 15x25cm,
zonder voorziening om een ruit of raamkader te bevatten Er zijn
horizontale en verticale tralies en de opening geeft uit op kamer
2 (zie schets). Twee deuren geven toegang tot kamer 1,
één vooraan en één achteraan naar
buiten. Eén deur vooraan leidt naar kamer 2. De laatste
deur leidt naar een onbekende ruimte achter kamer 2.
In beide kamers is er een buizenconstructie, zogezegd voor het
koolstofmonoxidegas, maar in kamer 2 is deze constructie onvolledig,
en blijkbaar nooit afgewerkt.
Kamer 1 heeft een volledige buizenleiding die uitkomt in patrijzen
in twee hoeken van de kamer.
Kamer 2 heeft een voorziening voor een dakventilatie, maar er
blijkt nooit een opening door het dak te zijn gemaakt.
Kamer 1 heeft een luchtopwarmings- en circulatiesysteem, dat niet
deskundig ontworpen werd (in- en uitvoeropeningen bevinden zich
te dicht bij elkaar) en er is evenmin enige voorziening voor ventilatie.
De muren zijn bezet, dak en vloer zijn van stortbeton; maar niets
is met een isolatieproduct afgewerkt, noch aan de binnen- noch
aan de buitenkant.
Er zijn twee aandrijvingsystemen voor warme lucht opgetrokken
onder een afdak naast het gebouw, één naast kamer
1 en het andere voor de bad- en desinfektieinrichting vooraan
(zie bijlage V); geen van beide is deskundig ontworpen
en de voorzieningen voor ventilatie en luchtafvoer ontbreken.
De muren in kamer 1 tonen de karakteristieke blauwe vlekken veroorzaakt
door ferric-ferro-cyaanzuurpigment.
Het gebouw is onverwarmd en vochtig.
Alhoewel de gebouwen schijnbaar goed ontworpen lijken te zijn,
missen zij de vereiste criteria om gebruikt te kunnen worden voor
gasexecutie of ontluizingsactiviteit.
1. noch de binnenzijde noch de buitenzijde zijn voorzien
van een dichtingproduct
2. het lager gelegen gaanpad is een potentiële dodelijk
val, waardoor het gebouw uiterst gevaarlijk wordt.
3. kamer 2 is onvolledig en werd waarschijnlijk nooit gebruikt.
De leidingen zijn onvolledig en de ventilatie door het dak werd
nooit doorgetrokken.
4. alhoewel kamer 1 operationeel is voor koolstofmonoxide is
deze gebrekkig geventileerd en niet operationeel voor HCN.
5. de verwarmings- en luchtcirculatie-inrichting is slecht aangebracht.
6. er is geen ventiel of schouw voorzien.
Daarom is het de beste technische beoordeling van de auteur
dat kamer 1 en 2 nooit werden en nooit konden gebruikt worden
als executiegaskamers. Geen enkele installatie te Majdanek is
bruikbaar of werd gebruikt voor terechtstellingen.
Kamer 1 beslaat 45m2, heeft een volume van 120m3 en kan 54
personen bevatten; ze vereist ongeveer 0,5 kg Zyklon B-gas.
Kamer 2 beslaat ongeveer 20 m2, heeft een volume van 52m3 en kan
24 personen bevatten; ze vereist 22 gr Zyklon B-gas.
Voor andere zogezegde executie-inrichtingen te Chelmno (gaswagens),
Belzec, Sobibor, Treblinka en andere, wordt erop gewezen dat,
naar men beweert koolstofmonoxidegas gebruikt werd.
Zoals hiervoor reeds uitgelegd werd is koolstofmonoxide geen
gas voor terechtstellingen. De auteur meent dat alle slachtoffers
door gewone verstikking zouden zijn omgekomen, alvorens het gas
zelf haar uitwerking zou hebben kunnen bereiken. Daarom is het
de beste technische beoordeling van de auteur dat niemand stierf
door middel van CO-vergassing.
Het document L022, voorgelegd op het Internationaal Militair Tribunaal
te Neurenberg, beweert dat "1.765.000 Joden in Birkenau werden
vergast tussen april 1942 en april 1944".
In de veronderstelling dat op volle capaciteit kon gewerkt
worden konden de zogezegde executiegaskamers van Birkenau maximaal
105.688 mensen doden en dit gezien over een nog langere tijdsperiode.
Besluit
Na onderzoek van alle documentatie en na inspectie van
alle locaties te Auschwitz, Birkenau en Majdanek vindt de auteur
de bewijsstukken overstelpend:
Er waren geen executiegaskamers op een van deze plaatsen.
Het is de beste technische beoordeling van de auteur dat de zogezegde
executiegaskamers op deze locaties nooit konden gebruikt worden,
of nu kunnen gebruikt worden, of ernstig kunnen beschouwd worden
als executiegaskamers.
Malden, Massachussetts, 5 april 1988.
Fred Leuchter Associates
Fred A. Leuchter jr., hoofdingenieur.
BIBLIOGRAPHY
· Chemical Analysis - 32 Samples, Prepared by Alpha
Analytical Labs for Fred Leuchter Associates.
· Auschwitz, Crime Against Mankind, Auschwitz State
Museum, 1988
· Auschwitz, 1940-1945, Museum Guide Book, Auschwitz
State Museum.
· Majdanek, Duszak, Auschwitz State Museum, 1983
· Maps and Material, Auschwitz and Majdanek State
Museums.
· Diesel Gas Chambers - Myth Within a Myth, Berg,
Spring 1984, Journal of Historical Review
· German Delousing Chambers, Berg, Spring 1986,
Journal of Historical Review
· The Hoax of the Twentieth Century, Butz,
Historical Review Press.
· Zyklon B for Pest Control, DEGESCH Publication
· Hydrogen Cyanide, Dupont Publication, 7-83
· Material Safety Data Sheet, Dupont Publication,
8-85
· Sodium Cyanide, Dupont Publication, 7-85
· The Mechanics of Gassing, Faurisson, Spring
1980, Journal of Historical Review '
· Floor Plans. Krema II, III, IV, V
· German Blueprints, 9-25-41; 10-16-44
· The Destruction of the European Jews, Hilberg,
Holmes & Meier, New York, 1985
· Majdanek, Marszalek, Interpress, 1986
· Journal, 2-25-88 through 3-3-88
· Assorted Photos. by Fred A. Leuchter Associates.
· Eight (8) Drawings Krema 1, II, III, IV,V, Delousing
chamber, Building No. 1; Experimental gas chambers; Unknown heater
circulator; all prepared for this report by H. Miller, Fred A.
Leuchter Associates
· Proposal, Missouri State Penitentiary Gas Chamber,
Leuchter,, Leuchter Associates, 1987
· Zyklon B, Trial of Bruno Tesch, Lindsey, Fall
1983, Journal of Historical Review
· Majdanek Concentration Camp, Rajca, Lublin, 1983,
State Museum
· Document NI 9912, Office of Chief War Counsel
for War Crimes, Zyklon B
· Sample Log, 2.25-88 through 3-2-88
tekst met tabel : http://www.vho.org/NL/b/hlr1/
Zyklon B
Zyklon B was de handelsnaam van een pesticide dat uiteindelijk
door Nazi-Duitsland gebruikt werd in een aantal gaskamers tijdens
de Holocaust.
De substantie bestond uit pellets of schijfjes houtpulp of diatomeeënaarde
die geïmpregneerd waren met blauwzuur, een stabilisator en
een waarschuwende geurstof. Blauwzuur (HCN) is namelijk een zeer
vluchtige vloeistof met een kookpunt van 25,7 graden C. Het ruikt
wel enigszins, maar niet sterk genoeg om erop te kunnen vertrouwen
dat het geroken wordt voor het fataal is. De pellets gaven, zodra
ze aan de open lucht blootgesteld werden, het waterstofcyanide
(blauwzuur) af als damp. Blauwzuur verdampt ongeveer even gemakkelijk
als ether. De functie van de korrels bestond eruit het gif hanteerbaar
en makkelijker doseerbaar te maken. Het was voor de oorlog al
jaren leverbaar als bestrijdingsmiddel, te gebruiken tegen veel
soorten ongedierte in woningen en werd toegepast door de woning
zo luchtdicht mogelijk af te sluiten en dan het product in iedere
kamer te verspreiden waarna het personeel (dat gasmaskers droeg)
de woning zo snel mogelijk verliet.
[bewerk]
Menselijke gevolgen
Slachtoffers van dit gas voelen in eerste instantie niks, omdat
de longen geen pijnzenuwen bevatten. Daarna wordt het longvlies
aangetast waarna een schrikwekkende pijn plaatsvindt. Als op dat
moment verder wordt gegaan treedt een schrikwekkende pijn op over
het gehele lichaam. Omdat de zenuwen geen impulsen meer door kunnen
geven, kunnen de hersenen echter al gauw geen signalen meer geven
aan de organen, en treedt bewusteloosheid in. Indien een slachtoffer
in het 2e stadium (waarbij het longvlies wordt aangetast) kan
worden gereanimeerd zal het 3 maanden duren vooralleer de longen
enigszins hersteld zijn.
[bewerk]
Gebruik op mensen
Het pesticide werd door de Nazi's gebruikt in de gaskamers van
de Holocaust in de vernietigingskampen Auschwitz Birkenau en Majdanek.
Initieel werd Zyklon B in de concentratiekampen gebruikt voor
ontluizen, ter bestrijding van tyfus. In september 1941 werden
in Auschwitz I de eerste experimenten uitgevoerd met het doden
van mensen met behulp van het vergif. Zyklon B werd daarvoor geleverd
door de Duitse bedrijven Degesch (Deutsche Gesellschaft für
Schädlingsbekämpfung GmbH) en Tesch und Stabenow, onder
licentie van octrooi-houder I.G. Farben. De Nazi's bevalen Degesch
daartoe het Zyklon B te produceren zonder de waarschuwingsstof,
wat tegen de Duitse wet was.
Na de oorlog werden twee directeurs van Tesch door een Brits oorlogstribunaal
berecht en geëxecuteerd voor hun aandeel in het leveren van
de stof. Zyklon B werd in de eerste instantie ontwikkeld in de
jaren 1920 door Fritz Haber, een Duitse jood die in 1934 moest
emigreren.
Gebruik van het woord Zyklon (het Duitse woord voor cycloon) is
nog altijd een bron van woede voor sommige Joodse groeperingen.
In 2002 moesten zowel Bosch Siemens Hausgeräte als Umbro
pogingen laten varen om de term als handelsmerk te gebruiken voor
hun producten.
De reden achter de naam Zyklon B is onduidelijk. Er bestond al
een middel Zyklon-A, zie verderop. Het lijkt waarschijnlijk dat
het slaat op de effectiviteit bij de bestrijding van ongedierte
(denk aan het schoonmaakmiddel dat als een 'witte tornado' door
het huis vliegt.)
Zyklon A was ook een pesticide met cyanoformaat-methyl
als werkzame component. Productie ervan werd onder het Verdrag
van Versailles verboden omdat het kon dienen als een reagens bij
de productie van strijdgassen.
[bewerk]
Externe bronnen
· Nizkor.org (Auschwitz FAQ)
· Codoh.com (Site van CODOH, een Holocaust revisionisme
organisatie die de beweringen van het Leuchter rapport
bespreekt. Fred A. Leuchter was een ingenieur zonder werkelijke
graad, die "wetenschappelijk" probeerde aan te tonen
dat Zyklon B onmogelijk gebruikt kon zijn voor het vermoorden
van mensen tijdens de Holocaust)
Wikipedia
nl.wikipedia.org/wiki/Zyklon_B
VERBOTEN !!!
Frederick A. Leuchter Het Leuchter-rapport, Revisionistische Bibliotheek Nr. 3, Vrij Historisch Onderzoek, Berchem 1990. (Strafkamer Hoge Raad der Nederlanden, nr. 105.393. 25.11.1997)